Snoezelreceptie vzw De Link

Toespraak Frank Vandenbroucke

Vlaams minister van Werk, Onderwijs en Vorming

10 september 2008 – VBS Meerlaar, Meerlaarstraat 95, Vorst-Laakdal

 

Dames en heren,

 

In een top-tien van Nederlandse woorden met een mooie klankwaarde zou ‘snoezelen’, als het van mij afhangt, heel hoog scoren! Ik heb me laten vertellen dat ‘snoezelen’ een samensmelting is van ‘snuffelen’ en ‘doezelen’, en dat het wijst op het activerende aspect, het verkennend snuffelen, maar ook op het relaxerende, het rustgevende doezelen.

 

Het is met veel plezier dat ik ben ingegaan op de uitnodiging van de vzw de Link om hier vandaag aanwezig te zijn op deze receptie, naar aanleiding van de renovatiewerken aan de snoezelruimte hier.

 

Eerst en vooral wil ik de vzw de Link en de basisschool Meerlaar feliciteren voor al jullie inspanningen. En ook Dana Winner met haar meterschap van dit project.

 

Jullie hebben in jullie school en in jullie vzw aandacht voor kinderen die het moeilijk hebben. En jullie hebben hiervoor een zeer duidelijke methodische keuze gemaakt. Jullie gaan heel bewust om met de didactiek voor deze kinderen.  Jullie houden rekening met heel het kind, zowel sociaal-emotioneel als cognitief.

 

Ik vind het ook zeer positief dat jullie proberen om jullie initiatief een wetenschappelijke onderbouw te geven. De samenwerking met de Katholieke Hogeschool Geel kan een grote meerwaarde voor dit project betekenen. Zo kunnen waardevolle methodieken verder ontwikkeld worden en ook verder verspreid geraken.

 

Aandacht voor kinderen die het, om welke reden dan ook moeilijk hebben, is ook een essentieel onderdeel van mijn beleid.

Eén dossier waar dit heel fel tot uiting komt is het leerzorgdossier.

 

Al tien jaar lang loopt een debat over de vraag of het onderwijs voor kinderen met speciale noden hervormd moet worden, en zo ja, hoe? Tien jaar lang stonden aan de ene kant mensen op de barricaden voor inclusief onderwijs, terwijl andere mensen de angst om het hart sloeg dat de overheid het buitengewoon onderwijs zou afbouwen en het onmogelijke en onhaalbare zou vragen aan gewone scholen. Tien jaar lang werd de hete aardappel van minister naar minister doorgeschoven. Het thema is dan ook complex en delicaat: hoe kunnen leerlingen met specifieke behoeften en beperkingen het best geholpen worden in ons onderwijs?

 

Leerzorg is een gevoelig onderwerp, en terecht: het gaat immers over de vraag hoe we èlk kind, èlke jongere in Vlaanderen op de meest aangewezen plaats de best mogelijke zorg en het best mogelijke onderwijs kunnen aanbieden. Bij zo’n belangrijke vraag zijn ongenuanceerde, zwart-wit stellingen uit den boze. Er is nood aan realisme: de realiteit, zeker als het om zorg gaat, is altijd genuanceerd. De realiteit van zorg vraagt bijvoorbeeld veel meer “en-en” dan “of-of”, wanneer je mogelijke oplossingen afweegt. Daarbij geldt voor mij slechts één a priori, slechts één dogma: het belang van het kind, van de jongere staat voorop.


Na al die jaren van debat wil de hele Vlaamse Regering nu een aantal knopen doorhakken over de zorg voor leerlingen met beperkingen. Dit vergde een grondige voorbereiding en veel overleg. Het vraagt een bedachtzame aanpak, niet alleen bij de voorbereiding, maar ook bij de praktische uitvoering van eventuele nieuwe oriëntaties. Leerzorg is dus een onderwerp bij uitstek waar een perspectief op lange termijn aangewezen is.

 

Vandaag is de beleidsvoorbereiding nog niet afgerond, maar toch al in een gevorderd stadium. Ik wens werk te maken van een zogeheten ‘zorgcontinuüm’ voor kinderen met speciale leerbehoeften. Eén samenhangend kader dus voor alle aanpassingen in het gewoon onderwijs en de gespecialiseerde settings in het buitengewoon onderwijs. 

 

Dit is een debat waarbij verschillende, soms erg tegenstrijdige, visies met elkaar geconfronteerd worden. Er leeft veel bezorgdheid: die begrijp ik en waardeer ik zelfs. Leerzorg roept bovendien nieuwe vragen op en er zijn ook nogal wat misverstanden. Eén van de misverstanden is dat we het buitengewoon onderwijs zouden willen afbouwen, dat we kinderen die nu gelukkig zijn in buitengewoon onderwijs naar gewone scholen willen sturen. Dat gewone scholen daar weerloos tegenover zullen staan, wat ook hun draagkracht is… Dat is absoluut niet mijn inspiratie. In tegenstelling tot wat sommige mensen denken, zullen gewone scholen zelfs beter in staat zijn om hun draagkracht te definiëren en te beschermen. Ze krijgen ook méér middelen om het goed te doen voor kinderen met specifieke behoeften of leerstoornissen: dat is vanaf 1 september al zo met de extra uren zorgcoördinatie die we ter beschikking stellen van de gewone basisscholen; en bij de uitrol van leerzorg komen er nog extra middelen voor scholen die – vrijwillig – de deur open zetten voor leerlingen die bewust kiezen voor gewoon onderwijs, alhoewel ze ook naar buitengewoon onderwijs zouden kunnen gaan.  

 

Ik wil hier niet te diep ingaan op de vele beweegredenen voor het dossier “leerzorg”, zoals de sterk groeiende behoefte aan zorg; en de vaststelling dat de oude indeling van het buitengewoon onderwijs in 8 “types” niet meer aangepast is, bijvoorbeeld omwille van het ontbreken van autisme in die typologie; of de vaststelling dat er lacunes zijn in de spreiding van het aanbod, één van de verklaringen voor lange busritten; of de vaststelling dat kinderen uit zwakke sociale milieus sterk aanwezig zijn in bepaalde types…..

 

Over het dossier “leerzorg” verschillen mensen hartstochtelijk van mening, vanuit hun zelfde hartstochtelijke inzet voor kinderen met specifieke noden. Als mensen hartstochtelijk van mening verschillen, dan moeten ze eerst dezelfde bril opzetten om naar het probleem te kijken. Die gemeenschappelijke bril, dat is het nieuwe raamwerk (van zorgniveau’s, clusters en doelgroepen) dat in het dossier leerzorg voorgesteld wordt en voor mij heel centraal staat, met een veel meer verfijnde afweging van de mate waarin de omgeving van een kind zich moet aanpassen omwille van de bijzondere behoefte aan zorg enerzijds, en een geactualiseerde en deels nieuwe kijk op de classificatie van stoornissen anderzijds. Dezelfde bril opzetten is een absoluut noodzakelijke eerste stap die we samen moeten zetten.

 

Laten we dus allemaal een fijnere én bredere én geactualiseerde bril opzetten om naar de realiteit van deze leerlingen te kijken. Leerlingen die meer dan alle andere op uitstekend onderwijs zijn aangewezen om – als het even kan – minstens zelfredzaam door het leven te gaan. Om de talenten die in hen verscholen zitten tot bloei te brengen. En om in de gewone samenleving “van jan en alleman”, van u en ik, te zo goed mogelijk functioneren. En om gelukkig te zijn.

 

Dames en heren, uit wat ik over de vzw Link en de basisschool hier vernomen heb, weet ik dat hier ontzettend veel zorg, ook leerzorg aanwezig is, dat hier zelfs al echt inclusief onderwijs in de praktijk gebracht is. Ik wens u hiervoor te feliciteren. Ik heb ook gelezen dat het allemaal niet vanzelfsprekend was en dat er ook moeilijke momenten waren. Toch hebben jullie niet opgegeven.

 

Wij hebben op vele vlakken uitstekend onderwijs in Vlaanderen. Ook de kwaliteit van onze zorg wordt ons door velen in het buitenland benijd. Deze zorg is het resultaat van veel dagelijkse inzet, van veel deskundigheid, maar ongetwijfeld ook van grote liefde voor de kinderen, voor alle kinderen, met of zonder beperkingen. Dat alles is hier in ruime mate aanwezig.

 

Dames en heren, ik zou hier willen afronden. Ik stond erop hier aanwezig te zijn omdat jullie project een mooie concretisering is van waar ik binnen onderwijs naar streef: meebouwen aan een warme en sociale samenleving waarbij ‘iedereen centraal staat’. Blijven zoeken naar manieren om niemand uit te sluiten.

 

Aan allen hier aanwezig nog eens van harte dank voor alle inspanningen en proficiat!